Leerplan rijles

Deel 1: Voertuigbeheersing

Voertuigbeheersing

Het bedienen van de auto moet “geautomatiseerd” zijn om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen. Met name bij handgeschakelde auto’s kost dat (wat meer) tijd. Je zult merken dat het moeilijk is verkeerssituaties op te lossen, wanneer je nog moet nadenken wat je linkervoet en je rechterhand moeten doen. Daarom is het begin van de cursus gericht op het beheersen van de auto. Hier volgen enkele kernpunten, je leert het voertuig beheersen door in de praktijk te oefenen.

 

1 Voorbereiding

Pas je stoel en spiegels aan zodat je comfortabel zit en maak je klaar om te gaan.

2 Stuur- en kijktechniek bochten

Je moet kijken naar waar je heen wilt. Meestal resulteert een slechte kijktechniek in “lelijke” bochten (te krap/wijd). ‘Het vinden’ van het einde van de bocht of het einde van de straat met je ogen is hier belangrijk. Je kunt ook vaak “door bochten heen kijken”.

Zicht in bochten

Vaak wordt het zicht op bochtige wegen beperkt door bebouwing en / of begroeiing. Goed zicht in een bocht betekent dat je het einde van de bocht kunt zien. Als je het einde van de bocht niet kunt zien, pas je je snelheid aan. Pas als je zicht weer beter wordt (je kunt het einde van de bocht zien en een goede inschatting maken van de verkeerssituatie) kun je weer snelheid verhogen.

Bochten rijden

Meestal rijd je bochten met een constante snelheid. In bochten met goed zicht kan de snelheid zelfs worden verhoogd tijdens het rijden in de bocht. Vertragen, koppelen en schakelen moet altijd gebeuren voordat je een bocht inrijdt. Dus over het algemeen gebruiken we het rem- en koppelingspedaal niet in een bocht. Een uitzondering hierop zijn bochten met snelheden onder de 20 km / u. In deze situaties heb je de koppeling nodig (in combinatie met 1e of 2e versnelling en soms je voetrem) om de snelheid te regelen. Anders zou de auto te snel / met een ongecontroleerde snelheid vooruit gaan.

3 Wegrijden

Wil je soepel en/of snel wegrijden, gebruik dan zowel je gaspedaal als je koppelingspedaal. Breng het toerental op ongeveer 1500 en laat dan de koppeling los. Houd de koppeling 3-4 seconden stabiel terwijl de auto rijdt. Laat de koppeling daarna langzaam los en verhoog tegelijkertijd het toerental.
Het toerental zijn het aantal omwentelingen per minuut die de motor maakt. Als je het gaspedaal indrukt, zal het toerental toenemen. Als je het loslaat, zal het afnemen. Het zal nog sneller afnemen als je remt. Je kunt het vergelijken met een fiets met versnellingen: elke cirkel die je met je voeten maakt is één omwenteling. Als je meer omwentelingen maakt, ga je sneller. Op het moment dat je omhoog schakelt, gaan je omwentelingen weer omlaag (het trappen wordt zwaarder).

4 Remmen en stoppen

Er zijn 3 manieren om correct te vertragen in een handgeschakelde auto:

  1. Remmen op de motor: het gaspedaal loslaten terwijl de auto in een versnelling geschakeld staat. De auto zal gaan vertragen tot de stationaire snelheid van de betreffende versnelling
  2. Vertragen op de versnellingsbak: de auto terugschakelen en het koppelingspedaal op laten komen. De auto zal verder vertragen tot de stationaire snelheid van de lagere versnelling
  3. Het rempedaal: wanneer je het rempedaal gebruikt, probeer dan altijd geleidelijk remdruk op te bouwen.

5 Koppelen en ontkoppelen

Je hebt een koppeling nodig om te schakelen. Je hebt ook een koppeling nodig om afslaan bij lage snelheden (of stilstand) te voorkomen. Motoren zullen beginnen te stotteren / afslaan bij een te laag toerental. De motor heeft een koppeling nodig (ofwel moet ontkoppeld worden) als de toerenteller onder het stationaire niveau komt. Het stationaire toerental zit rond de 750 toeren. Je kunt de auto in een versnelling op stationair niveau laten rijden zonder dat de motor afslaat, maar hij zal afslaan als je dan begint met remmen (waardoor het toerental nog meer daalt) zonder de koppeling te gebruiken. Dus hier moet je tegelijkertijd koppelen en remmen. Over het algemeen trappen we de koppeling in rond de 1000 toeren.
Stationaire snelheden van de versnellingen: 1e versnelling 10 km / u, 2e versnelling 20 km / u, 3e versnelling 30 km / u enz. Wanneer je de koppeling gebruikt, deze altijd helemaal tot de bodem intrappen. Als je hem niet gebruikt, plaats je de voet naast de koppeling.

6 Schakelen

Opschakelen gaat altijd in dezelfde volgorde: 1,2,3,4,5 en 6. Als je terug wilt schakelen, neem je direct de versnelling die je nodig hebt (nadat je genoeg vertraagd bent). We schakelen, onder normale omstandigheden, naar de volgende versnelling bij 2000 toeren. Motoren hebben over het algemeen het meeste kracht tussen de 2000 en 3000 toeren. Dus op momenten dat vlot snelheid gemaakt moet worden, probeer pas op te schakelen bij 3000 toeren.

Download de pdf hier:

Download Manual (EN)

Download Handleiding (NL)

Autobesturing

Om veilig door het verkeer te kunnen rijden, moet de autobesturing geautomatiseerd worden.

Bekijk deel 2 : Rijden op de weg

Of neem direct contact op

Bel ons op

+31 6 307 433 90

Mail naar

info@fastlanedriving.nl

Meld je aan